Hoe kan het dat je op reis altijd Nederlanders tegenkomt?

8 apr

Een aantal jaren geleden deed ik met mijn vriend een tourtje west-China. Vanuit de Sichuanese hoofdstad Chengdu reden we acht uur met een krakkemikkige bus langs ravijnen om in het idyllische Songpan een oase van rust te vinden. In Songpan trokken we te paard de bergen in, slechts vergezeld door een aantal zingende ruiters en gewapend met kampeeruitrusting, om in de bergen te overnachten. En daar, ver, ver weg van de bewoonde wereld gebeurde het. Hard gelach steeg op boven het gebergte. Het bleek een geluid afkomstig van een groep tegemoetkomende toeristen. En voordat we de twaalf bontgekleurde poloshirtjes de hoek om zagen komen, wisten we aan het aantal decibel: Nederlanders.

Ander voorbeeld. In een buitenwijk van Tokio staat een klein hostel. Geen overbodige luxe, niet al te veel kamers: gewoon een klein plekje waar toeristen voor een schappelijk bedrag kunnen overnachten. Vorig jaar in maart besloten we de gemeenschappelijke koffieruimte aldaar eens te bezoeken. We hadden het kokende water amper over het bruine drabje gegooid of we werden aangesproken. Een landgenoot herkende waarschijnlijk de Hollandse manier van schenken. Na drie weken ‘lost in translation’ te zijn geweest, schoven we samen aan een tafel voor het Douwe Egberts-gevoel en bespraken we onze rondreizen tot in detail. Eenmaal thuis hebben we de passant nog een aantal keren opgezocht. Geen grote moeite: hij woont tien minuten fietsen van ons vandaan.

Vooruit, nog een voorbeeld. Voor een reportagereis verbleef ik twee weken in een hostel in Beijing. Het hostel beschikte slechts over vijf kamers en dus konden mijn reisgenoot en ik, als volleerde bejaarden, precies in de gaten houden wie er kwam en ging. En raden welk thuisland er op hun paspoort stond. Op een ochtend ontdekte ik een drietal grote mannen, gekleed in korte broek met ruitjes en lopend op teenslippers. Mijn instinct zei: landgenoten. Maar ik verstond ze niet. Met de grootste concentratie probeerde ik hun taal thuis te brengen en ik concludeerde, na een ochtendje luistervinken: dit zijn Finnen. Vol trots bracht ik mijn kamergenoot aan de ontbijttafel op de hoogte van de nationaliteit van onze nieuwe buren. Onder tafel kruipend van schaamte maande ze mij tot stilte. De mannen, die naast ons zaten, bleken hun conversaties in plat Maastrichts te voeren. Een taal die zij uit duizenden herkende.

Nederlanders in den vreemde: het is geen onbekend verschijnsel. Hoe ver je ook van de gebaande paden afwijkt, in welke uithoek je ook je tent opzet: die harde g achtervolgt je over de hele wereld. Sommige mensen vinden dat vervelend, ik vind het vooral opvallend. In Nederland wonen 16,5 miljoen mensen. Een groot deel van die mensen reist in de schoolvakanties, periodes die ik meestal vermijd, of gaat all-inn naar Turkije. Statistisch gezien zouden Nederlanders elkaar niet zo vaak moeten tegenkomen in verre oorden. Wat ik me dus afvroeg (en meerdere mensen met mij, hoorde ik gisteren): hoe kan het dat je op reis altijd Nederlanders tegenkomt? Lopen we elkaar gewoon achterna of reizen ze massaal de wereld over? En wat is dat toch met die herkenbare korte ruitjesbroeken en gekleurde poloshirtjes?

Kan het woordje jokken ook weg uit debatten en interviews?

7 feb

Wie ermee begonnen is weet ik niet, maar sinds een aantal jaren is het woord jokken helemaal in. Niet onder lezers van Groter Groeien of de kijkertjes van Sesamstraat. Nee, jokken is een hip woord in Haagse contreien. Volwassen mannen (en vrouwen, maar die iets minder) die hoge, vaak politieke, functies bekleden gooien er in interviews, debatten en persconferenties vaak meerdere keren een woord tegenaan dat ik op mijn vijfde al afdeed als kinderachtig.

Waarschijnlijk is er ergens in Nederland een zeer tevreden spindoctor die zichzelf nog steeds dagelijks een aai over de bol geeft voor dat ene heldere moment waarop hij jokken introduceerde in de Tweede Kamer. Een prachtvondst, vindt hij. Zo lekker opvallend tussen die brij van nietszeggende termen die compleet langs de toehoorders heengingen. Zo lekker volks. Zo lekker didactisch verantwoord en denegrerend. Dat het een trend zou worden onder andere politici en vervolgens ook onder universiteitsbestuurders, had hij alleen maar durven dromen.

Zo’n man gun je natuurlijk zijn pleziertje. En ik snap ook best dat jokken, de eerste keer dat het in formele context gebruikt werd, een lollige, memorabele uitwerking had op sommige mensen. Maar kunnen die grote meneren, met de mooie kleertjes en heel veel centjes op de bank nu gewoon weer liegen gaan zeggen, voor we straks ministers krijgen die om billenkoek vragen omdat ze stout zijn geweest? Laten we genieten van kennis, slimme mensen en mooie vocabulaires. Voor je t weet hebben de grootste jokkebrokken uit de politiek hun zin, zeggen we dag tegen onze kenniseconomie en komen we echt met z’n allen niet verder meer dan Jip en Janneke.

Praat prinses Laurentien al haar hele leven zo?

3 feb

Gisteren zat ik in geheel apatische sferen naar het grijnzende hoofd van Matthijs van Nieuwkerk te staren, tot mijn scherp analyserende vriend ineens riep: ‘Hee, er zit een prinses in het publiek!’
Even dacht ik vertederd dat hij naast me was weggedoezeld en wilde dromen had over ridders en boze koningen, maar toen ontwaarde ik inderdaad een koninklijk gezicht op de eerste rij.

Het bleek hier om Prinses Laurentien te gaan. Of, zoals ze voluit heet: blablablablabla.
De prinses bleek een tweede kinderboek geschreven te hebben, over mister Finney, een vis met benen die met zijn avonturen even wat mondiale milieukwesties aan de kaak stelt.

De prinses vertelde hierover zoals je van een prinses mag verwachten; bescheiden, beleefd, maar bevlogen. Geloof ik. Want de helft van haar unieke mediaoptreden gingen haar woorden langs me heen en vroeg ik me af in welk bijzonder dialect ze haar relaas deed.(Heel even dacht ik zelfs dat ze ook uit Argentinië kwam, zoals de enige andere prinses die ik ken.)
Het moest een krachtig Duits accent zijn, werden mijn vriend en ik het al snel eens, maar eenmaal op Wikipedia beland (even kijken wie ook weer wie is bij de Oranjes) bleek dat de prinses, die overigens in Amerika afstudeerde als journalist op het onderwerp prostitutie, haar roots in Leiden had.

Nu heb ik vier jaar van mijn leven in Leiden gewoond en heb ik in die tijd de meest wonderlijke gebruiksmogelijkheden van de letter R voorbij horen komen, maar de versie die Prinses Laurentien hanteerde was nieuw voor me.
Pas toen ze statig voorlas hoe mister Finney met zijn schildpaddenvriend filosofeerde over de gedoemde ondergang van het koraal, realiseerde ik me dat de prinses het ABN bezigde. Het koninklijke ABN, zoals haar schoonmoeder dat spreekt. En zoals verder niemand in Nederland dat kan en wil spreken. Al deed Adriaan van Dis, die tegenover haar zat, een dappere poging.

De taal van hare koninklijke hoogheid overpeinzend, kwam ik tot de conclusie dat Prinses Laurentien, die ooit gewoon Laurentien Brinkhorst heette, het koninklijke ABN niet geheel natuurlijk sprak. Het klonk meer zoals ik Chinees spreek en mijn vriend Brabants. En dus vroeg ik me af of ze de koninklijke kaktaal na haar huwelijk heeft moeten aanleren. Heeft ze wekenlang op cursus gezeten bij Bea herself? Heeft ze alle beeldopnamen van Maxima tot in den treure bestudeerd om díe prachtige ronde R te kopiëren? Of heeft ze, zoals mijn collega vermoedt, moeite met articuleren omdat ze ‘ s nachts een beugel draagt? Hoe dan ook: de prinses, nota bene beschermvrouwe van de Nederlandse taal, heeft zich een bijzonder, onderscheidend dialect aangemeten.
Want wie echt van nature zo spreekt, moet als kind zeker gepest zijn.
Zelfs in Leiden.

Waarom zijn alle lekkere dingen slecht voor je?

8 dec

Als iemand me vandaag zou zeggen dat ik de rest van mijn leven moet doorkomen op een dieet van kazen, wijnen en chocolademelk, dan zou ik een keer mijn schouders ophalen, misschien een klein traantje laten om de pepernoten en pompoen en vrolijk verdergaan met dagelijkse bezigheden. Natuurlijk, ik zou af en toe ook met weemoed terugdenken aan bier, biefstuk en een stukje komkommer, maar ik denk dat de drie genoemde levensmiddelen de basisingrediënten zijn voor Puur Geluk.

Helaas is de wereld hard en gemeen en is er nooit iemand geweest die me vol overtuiging aanmoedigde de rest van mijn leven helemaal los te gaan op stinkende Stilton of een dampende mok van De Enige Echte (toegegeven: als ik hun slogan ‘heb jij het nog in je?’ hoor, ren ik trots naar de koelkast om daar in een paar slokken te bewijzen hoe ik die vloeibare choco als een echte vent weet weg te spoelen). Ik begrijp heel goed waarom mijn sociale omgeving me niet vraagt of ik mijn dagelijkse portie zuivel en alcohol wel heb genuttigd. Ze hebben het beste met me voor. Ze willen niet dat ik op mijn dertigste door het leven ga als een kauwende tientonner met een drankverslaving en een verbroken relatie. Want ik kan er niet om heen. Van kaas word je dik. Van wijn word je dik. En van chocomel word je ook dik.

Omdat ik daar op mijn 28ste ook achter ben, probeer ik het eens om te draaien. De komende dagen mag ik, Bourgondiër van Brabantse komaf met een moeder die uitsluitend grote pannen en hongerige monden kent, doorbrengen onder het genot van groenten, fruit, magere vleesproducten, water en, yes, ontbijtkoek. Ik kan je zeggen: dat scenario bevalt me stukken slechter dan dat van de kazen, wijnen en chocolademelk. Voor iedereen, en ik vrees dat het met name de mannelijke lezers zijn, die afhaakt bij deze alinea over dieet: gelijk heb je. Diëten is saai. Diëten maakt chagrijnig. Maar diëten zorgt er ook voor dat je met oud en nieuw in een jurkje past dat je eigenlijk al te strak hebt gekocht. *hoopt ze*

Het is nu woensdag. Ik heb me bijna drie dagen gehouden aan de zogenaamde veertig-punten per dag. Tel daarbij op dat ik eigenlijk al twee dagen ziek ben, slecht slaap en onderweg naar de supermarkt een oliebollenkraam en een loempiatent moet negeren. Ik vind het tijd voor een klein applausje voor mezelf. (Hoewel ik oliebollen eigenlijk niet zo lekker vind, maar vooruit).

Waar dit heengaat is natuurlijk de tussen de regels te lezen vraag: waarom kun je niet gewoon vijf kilo kwijtraken met een kaasdieetje? Waarom zitten glazen wijn niet standaard in elk afslankmenu om de sfeer erin te houden? Kortom: waarom zijn alle lekkere dingen slecht voor je?

Vriendlief vroeg gisteren al om wraps. Nog zeven dagen, dan mag-ie er zoveel eten als hij wil. Dan zit ik namelijk met mijn slanke bips op een subtropisch Chinees eiland. Te lurken van cocktails en te genieten van alles wat Sonja verboden heeft.

Zijn al die blije sneeuwfreaks de vorige winter vergeten?

2 dec

‘Hoera,sneeuw!’ en ‘Wat een prachtig landschap’, lees ik op Twitter. De wereld is wit en dat vervult sommige mensen met immens geluk. Ze verheugen zich op een knusse Kerst bij de open haard, nemen een vrije middag om een sneeuwpop te bouwen, schaffen uit puur enthousiasme een slee aan en uiten hun vreugde op elk sociaal mediaplatform. Ik ben oprecht gelukkig voor deze winterse zielen en ben jaloers op hun enthousiasme. Maar vraag me tegelijk af hoe zij de vorige winter hebben doorgebracht? Onder een donzen dekbed? Op een tropisch eiland? Lekker binnen met het hele gezin? Want als zij de vorige winter op dezelfde manier hebben ervaren als ik, dan is er iets grondig mis met hun kortetermijngeheugen.

Wat mij namelijk nog iets te helder voor de geest staat is het volgende: het is half december. Het sneeuwt. Ik ben in dezelfde extase als de blije twitteraars hierboven. Ik bouw een sneeuwpop, wandel in het park tussen andere sneeuwpopbouwers. Ik houd een sneeuwballengevecht met joelende kinderen in de straat. En ik maak warme chocomel. Tot zover dag 1. Op dag 2 begeeft mijn accu het. Schuift de auto bij de garage door richting een lantaarnpaal. Ga ik onderuit op de drukste straat van Utrecht. De rest van de winter mis ik twee keer een familiefeest omdat Brabant van de radar is verdwenen. Pleeg ik noodtelefoontjes voor vrienden die vaststaan op Schiphol. Bevriezen de wissels die mij richting belangrijke afspraken moeten leiden. En bereikt mijn huidskleur het toppunt van bleekheid.

Ik vraag me dus oprecht af hoe die blije sneeuwfreaks eind november al kwijlend voor de beslagen ramen staan. En hoe lang hun enthousiasme duurt. Ik kijk nu al uit naar mijn kleine overwintervakantie op een tropisch eiland. Hopelijk durf ik dan volgend jaar weer een beetje te genieten van de eerste sneeuwvlokken.

Wat is de ultieme benaming voor mijn leeftijdsgenoten?

10 nov

Gisteren ben ik 28 jaar geworden. Zo’n nietszeggende leeftijd die me doet denken aan 14 zijn: Kinderen voor Kinderen is zó niet meer aan jou besteed, maar het fenomeen barhangen is nog onbekend terrein. Als 28-jarige realiseer ik me soms met een schok dat ik ruim tien jaar ouder ben dan de eerstejaarsstudenten die in mijn favoriete kroeg hetzelfde gedrag vertonen als ik na zes bier, maar roep ik net zo hard als mijn vrienden dat het nog láng niet aan de orde is als een gesprek in diezelfde kroeg overgaat op baby’s. Terwijl 28 me vroeger de perfecte leeftijd leek om mijn baarmoeder open te stellen voor nieuw leven. Maar soit, toen wist ik nog niet dat 28 nog zo jong voelde.

Op zich heb ik geen moeite met het feit dat ik in veel gevallen buiten de categorie ‘jongeren’ val en de magische 30-grens bizar hard voel naderen. Maar dat kan te maken hebben met het feit dat ik me, dankzij een babyface en korte benen, nog altijd met enige regelmaat moet legitimeren als ik Tivoli binnen wil en dus ook wel eens vergeet dat ik 28 ben. Het enige lastige aan deze leeftijd, besefte ik laatst, is de benaming van leeftijdsgenoten.

Kon je op je twintigste nog zonder schaamte zeggen dat je een vriendin ‘echt een leuk meisje’ vond, acht jaar later weet je niet meer hoe je hetzelfde compliment in een zin moet gieten zonder denigrerend of kwetsend te klinken. Regelmatig struikel ik over een zin als ik thuiskom van een interview en wil zeggen dat ik onder de indruk was van een gesprek. ‘Echt een leuke meid’, klinkt namelijk alleen als je een overtuigend Rotterdams of West-Fries accent hebt, maar niet als je, zoals ik, de zachte G inzet. Dan wordt zo’n ‘meid’ ineens een fanatiek Libelle-lezeres. Met ‘vrouw’ kun je ook niet aankomen, vind ik. Dat klinkt alsof je zelf 13 bent en oog in oog hebt gestaan met een figuur als Oprah of de koningin. En ‘meisje’ is helemaal passé. Dat voelt alsof je samen met iemand bent gaan rolschaatsen en thuiskomt om een lolly te vragen. Soms verzand ik dan in het gebruik van  ‘tof wijf’ of ‘coole chick’, waarna ik mezelf de hele dag niet meer serieus kan nemen. Nee, een mooie, passende benaming om vrouwelijke leeftijdsgenoten te beschrijven, heb ik in de Nederlandse taal al een tijdje niet meer gevonden. Of ze moet me ontzettend op de zenuwen werken. Dan is ‘bitch’ een fijn alternatief.

Komen we direct bij het volgende punt: mannen. Zo op zichzelf is ‘mannen’ een prima woord. Het klinkt, mits in de juiste context, als een groep gespierde figuren van begin dertig die niets liever doen dan jou het hof maken. In de verkeerde context zijn het rokende snorren die dagelijks samenkomen om in de buurtkroeg om te biljarten. Heb je echter een ‘man’ van je eigen leeftijd ontmoet, dan valt de lading van dit woord ineens niet meer op z’n plaats. ‘Gisteren heb ik even met die man staan praten’, klinkt alsof je in de supermarkt werd aangesproken door een buurman die het niet eens is met jouw parkeerkunsten. ‘Die jongen kwam ik tegen in de kroeg’ kan dan weer wel, maar het roept absoluut niet het juiste beeld op als het een leeftijdsgenoot is met een brede schouderpartij een weelderige baardgroei. Het klinkt studentikozer. Ik betrap mezelf de laatste tijd vaak op het gebruik van het woord ‘gast’, maar sla daar in door. Ik gebruik die benaming, wat op zich in letters al geen mooie combi vormt met mijn zuidelijke afkomst, ook om te verwijzen naar professoren of ministers. En dat is lelijk. ‘Vent’ en ‘dude’ vallen in dezelfde categorie als ‘chick’ en ‘wijf’ en zijn dus ook niet bruikbaar.

De vraag is dus wat dán de ultieme benaming is voor een leeftijdsgenoot (m/v). Kunnen we als eind-twintigers/begin-dertigers niet gewoon een codewoord afspreken? Iets wat lekker bekt en verwijst naar onze hele generatie? Dan kunnen we dat blijven gebruiken tot we tachtig zijn en hoeven we dan ook niet meer na te denken over het gebruik van ‘mevrouw’, ‘dame’ of  ‘mijnheer’. Ik ben voor. Kan ik me daarna namelijk weer druk gaan maken over dingen die echt belangrijk zijn, zo voor mijn dertigste.

 

 

Als ze het kunnen, waarom maken ze het dan niet makkelijker?

10 nov

Op zich heb ik niets tegen de belastingdienst. Goed, van het bedrag dat de  schurken me jaarlijks afnemen had ik een pied a terre in Parijs kunnen kopen, maar ik heb liever dat de A2 elk weekend openligt, de koningin een privéjet heeft en het bloemencorso in Zundert niet ten onder gaat. Bovendien neem ik lekker deel aan de maatschappij en ben ik verontwaardigd als de overheid dreigt de bijdrage aan mijn koophuis af te schaffen of roet te gooien in mijn bezoekje aan de Parade. Bij het invullen van de jaarlijkse aangifte voel ik me dan wel even gevangen in een keurslijf van brave burgerlijkheid, maar aangezien ik een AH-bonuskaart heb en al jaren samenwoon met mijn grote liefde geloof ik niet dat ik op dat vlak recht tot klagen heb. Ik moet zelfs toegeven dat ik een klein vreugdesprongetje niet kon onderdrukken toen bleek dat ik mijn voorlopige aanslag voor 2009 zo netjes had ingevuld dat ik bij de jaarafrekening quitte speelde. Puzzelen voor gevorderden: het zou bijna een hobby worden. Nee, de belastingdienst en ik: prima door een deur te duwen.

Tot afgelopen zomer ten minste. Wat was het leven mooi toen ik nog nooit had gehoord van kwartaalaangiftes, BTW-tarieven en wachtwoorden voor ondernemers. Sinds ik ben veranderd van Carolien Dircken, burger in loondienst, tot Carolien Dircken, ondernemer met een eigen huis, laat de Belastingdienst steeds vaker zijn duistere kant zien. Zo bestaat er een speciaal clubje telefonisten dat jouw persoonlijke gegevens beter bewaakt dat Noord-Korea zijn kernwapenprogramma. Slaan de speciale webpagina’s voor ondernemers op tilt omdat je je wachtwoord kwijt bent en even niet meer weet wat het geheime antwoord moet zijn op de subtiele vraag ‘wat is de naam van uw energieleverancier?’, dan moet je telefonisch eerst zonder aarzelen je bsn opdreunen, je geboortedatum spellen, de voorletters van je vader, moeder, vriend, zus en oma foutloos opnoemen, het bedrag van je laatste aanslag tot na de komma reproduceren en vooral proberen niet je geduld te verliezen. Maar dan. Als er geen enkele twijfel meer bestaat over jouw identiteit en je drievoudig gescand bent door een computer met spraakherkenning, kun je je nieuwe wachtwoord tegemoet zien. Per post. Binnen acht werkdagen. Met een nederig ‘dank u’ kun je vervolgens niet anders dan ophangen en hopen dat je nieuwe gegevens binnenkomen voor de geheime dienst je een aanslag van duizenden euro’s komt brengen omdat je te laat bent met het doen van BTW-aangifte.

Ook zo’n nieuw begrip in mijn leven. BTW-aangifte. Klinkt simpeler dan het is. BTW hef je als freelance journalist namelijk alleen over commerciële opdrachten, teksten die je in opdracht maakt en coördinatie en eindredactie. Maar niet over artikelen die zijn ontsproten aan je eigen creatieve geest. Duidelijk. Dankzij een coördinatieklus had ik in mijn eerste kwartaal als ondernemer een lekker bedragje klaarstaan voor mijn vrienden bij de Belastingdienst. Een deel mocht ik echter zelf verrekenen met BTW die ik had betaald over mijn nieuwe printer, mijn zakelijke telefoonrekening en mijn treinkaartjes. Maar, ho! stop! wacht!, werkte ik ook niet twee dagen in loondienst? Dan is niet alle BTW aftrekbaar.

Na een snelcursus goochelen met getallen durfde ik het uiteindelijk aan om de eerste BTW-aangifte te doen deze maand. Maar natuurlijk noemt de belastingdienst de BTW-kwartaalaangifte niet BTW-kwartaalaangifte. Nee, om het makkelijk te maken staat op het in te vullen formulier een ander codewoord en kun je, ook als je alleen maar de BTW inkomsten en BTW uitgaven tegen elkaar hoeft af te strepen, niet voorbijgaan aan driehonderdduizend andere hokjes waar je NIETS mee hoeft te doen. Met 1a en 5d kom je als freelancer al een heel eind.

Heb je het potje worstelen met de formulieren eindelijk gewonnen, dan komt er een bedrag op je schermpje te staan. Dat is het bedrag dat je moet overmaken op de rekening van de Belastingdienst. Omdat je toch al zover bent gekomen, doe je dat uiteraard meteen. Of tenminste, dat zou je meteen willen doen, ware het niet dat dat rekeningnummer niet genoemd wordt op het schermpje. Nee, je moet eerst in je administratie op zoek naar de brief waarin staat dat je aangifte moet doen. Daar vind je je betalingskenmerk en het rekeningnummer. Tien jaar ouder en een hoop fictief geld lichter neem je tenslotte een kwartaal lang afscheid van het BTW-terreur.

Wat ik me nu afvroeg is dus eigenlijk waaróm ze het niet makkelijker maken? Ze schijnen het te kunnen. Doe er bij de eerste aangifte een minigame bij die uitlegt welk hokje welke functie heeft, wat er gebeurt als je iets niet goed invult (daar kun je een filmpje bijdoen van een onschuldige burger achter de tralies, kicks!) en hoe het toch allemaal vrolijk en blij kan uitpakken als je aan het eind van het jaar benzinekosten, startersaftrek en het BTW-bedrag van een werktripje China kunt aftrekken.

Nee, de Belastindienst is een vervelend orgaan, waar vervelende mensen de hele dag met een gna-gna-grijns in hun handen wrijven omdat ze een geheimtaal hebben bedacht die alleen zij spreken, en vooruit, nog wat ingewijden in de burgerwereld met hen. Wil je deel uitmaken van de club? Dan moet je daar een zware ontgroening voor overhebben die bestaat uit geestelijk geweld van cijfertjes en vage regels en vervolgens tegen een lekker tariefje je kennis botvieren op de administratie van wanhopige zzp’ertjes. Ontgroeningen zijn niets voor mij. En ik voel me zoals David tegen Goliath. Het wordt tijd om zelf een club op te richten. Met mezelf en een fanatieke boekhouder als lid. Ieder dubbeltje zal ik aftrekken. Want als ik het niet makkelijker kan maken, dan moet het op zijn minst een stukje leuker worden…

Is openlijk motoriekgebrek in de mode?

21 okt

Iedereen heeft zo zijn talenten. Zo ben ik vrij goed in het mixen van raadselachtige koelkastrestjes tot een voedzame doch smakelijke maaltijd, kan ik prima mijn eigen pony knippen en durf ik mezelf inmiddels een voorzichtig schouderklopje te geven als ik mijn opel Corsa strak tussen twee gevaarlijk glimmende bolides heb gezet. Ik ben echter geboren zonder motoriek. Geen wereldprobleem. Wel lastig als zelfkennis ook niet je sterkste punt is. En je dus regelmatig geconfronteerd wordt met je eigen rondmaaiende armen en benen in de spiegel van een zweterige sportschool.

Het is niet zo dat ik pas op latere leeftijd ontdekte dat mijn hersenen het vertikken heldere en soepele signalen door te geven aan mijn afwachtende ledematen. Zodra ik kon lopen (wat gek genoeg wel lukte met 11 maanden, dus pluspunt voor doorzettingsvermogen) maakte ik aanstalten om te springen. Tot groot genoegen van mijn ouders, die de verwoede pogingen vastlegden op video. Zwart-witbeelden zijn doorgaans vrij koddig en mensen lopen, springen en dansen op oude filmpjes net iets soepeler en sneller. Zo niet de iets te dikke peuter die ik was. Ik zette af, stond op mijn tenen, zwaaide met mijn armen en stortte, zonder succes, terug in de beginpositie. Onmiskenbaar een gebrek aan motoriek. Wat werd bevestigd toen ik mijn arm-been coördinatie later probeerde in te zetten bij het maken van koprollen, het besturen van een kano en het vangen van een bal.

Gelukkig kun je met een onderontwikkelde motoriek prima functioneren. Ik heb stevige wijsvingers van het typen, sport doorgaans door vijf kilometer lang dezelfde beweging te maken (en lopen heb ik al ruim 27 jaar in de benen) en heb me omringd door mensen die ook niet uitblinken op drums of in het regelen van verkeer. Maar eens in de zoveel tijd beland ik in een periode van zelfoverschatting. Dan jongleer ik met mandarijnen tot er een compleet net onder de bank is verdwenen, trommel ik met handen en voeten een tegenritme bij mijn favoriete cd. Of begin ik aan Zumba.

Voor wie bij Tae-bo is blijven steken: Zumba is een ‘leuke manier om calorieën te verbranden’ en is op youtube een danssport die uitsluitend wordt beoefend door vrouwen met een six-pack en een zonnebank. Het ziet er simpel en ont-zet-tend gezellig uit en dus waagde ik de sprong. Ik verruilde mijn loopschoenen voor kousevoetjes en voor ik het wist stond ik  te heupwiegen tussen uitgezakte vijftigers. Met vriendinnen was een lesje Zumba nog vergelijkbaar met een zwaar beschonken groepsdans in mijn favoriete kroeg. Maar alleen kon ik niet met een slappe lach verhullen dat ik het tijdens dé ultieme Zumbatruc aflegde tegen die dames op leeftijd. Zumba is namelijk een ander, sexy woord, voor motoriektest. Belangrijkste vereiste: je heupen draaien terwijl je armen een volstrekt tegenovergestelde, strakke dans uitvoeren. Op zich fijn om te ontdekken: motorische uitblinkers schijnen een zeldzaam genre binnen de vrouwelijk soort.

En wat ik me daarom afvroeg: waarom zijn er acht Zumbalessen per week gevuld met enthousiaste vrouwen, die weliswaar minder motorisch gestoord zijn dan ik, maar nog ver weg zijn van die six-pack en Prodent-smile? Waarom zoeken vrouwen wekelijks een spiegel op om te zien hoe hun heupen en armen niet doen wat het hyperactieve meisje voor de groep aangeeft? Ben ik getuige van een nieuwe stroming, waarin een openlijk gebrek aan motoriek een sexy coming-out is? Dat je je niet hoeft te schamen als je armen en benen publiekelijk hun eigen gang gaan? Ik hoop het. En dan heb ik thuis het bewijs dat ik begin jaren tachtig al een trend heb gezet. En gekroond mag worden als koningin van de motorieklozen.

Wat verwachten mannen die naar je pssst-en op straat?

4 okt

Het was lang geleden, maar vandaag had ik er ineens twee te pakken op een fietsroute van nog geen honderd meter. Het zal gelegen hebben aan de lengte van mijn blouse-jurkje en de zomerse temperaturen in oktober, want ineens ving ik, al trappende, een ‘pssst’ en een ‘smaksmak’ op. Nu kun je daar als vrouw op reageren door dankbaar kushandjes te werpen naar de opdringerige aanbidder. Bij mij roept het echter alleen maar agressie en ergernis op.

Die agressie is blijven hangen nadat ik een zomer lang mijn bankrekening probeerde te spekken in een electronicafabriek in het zuiden des lands. Naast een aantal fatsoenlijke, niet al te aantrekkelijke Belgen, werd het magazijn gerund door constant grijnzende Poolse jongens. Die Polen waren goed in twee dingen: het achterin inparkeren van steekwagens en het continue produceren van het geluidje ‘bzz bzz’. Na vier weken lang te worden begroet met deze oost-Europese versie van ‘pssst’ begon ik steeds vaker te hopen dat het geluid afkomstig was van een zwerm bloeddorstige bijen.

Alsof de Goden het zo bedoeld hadden werd ik ouder, een paar kilootjes dikker en bevond ik me steeds vaker in het gezelschap van mijn geliefde, die het talent heeft op pasfoto’s gevaarlijker te kijken dan een gemiddeld massamoordenaar op zijn intake-picture. Bovendien raakte ik vergroeid met mijn mp3-speler. Kortom: het gezoem, gepssst en gefluit werd sterk verminderd naarmate de jaren verstreken. Slechts een enkele verwarde viezerik gooit er nu nog wel eens een wanhopige versierkreet uit, gewoon om terrein af te bakenen en te laten zien dat hij een mannetje is. Vaak levert dat zelfs bij zijn eencellige vrienden een blik van verbazing op.

Na de onverwachtse pssst en smaksmak van vandaag, kwam naast agressie en ergernis echter een andere emotie om de hoek kijken: nieuwsgierigheid. Wat ik me vooral afvraag is: wat verwachten mannen die de moeite nemen hun lippen te tuiten en hun stembanden tot poliepen te schreeuwen op straat? Wat zou zo’n bronstige fluitert doen als je je handen op zijn brede borstkas zou leggen en in zijn oor zou terug pssst-en? Zijn er vrouwen die serieus denken ‘laatste kans, dus vooruit dan maar’? En erger nog: zijn er vrouwen die de vunzigheid van geil kijken, hard pssst-en en dan lachend hun hangende vriendinnen aanstoten tot in de puntjes beheren? Ik ga voortaan weer zonder man, mp3-speler en beenbedekking de straat op. En als ik het durf, psst ik binnenkort een keertje terug.

Waarom bestaan er nog lollystokjes die smaken naar gesmolten vouwblaadjes?

2 okt

Als ik per jaar één lolly eet, is het veel. Vaak gebeurt dat per toeval, als ik een bak chupa chups zie staan in de kroeg of zin heb in iets zouts als ik nog maar vijftig cent op zak heb. Maar als kind ging ik me wel te buiten aan van die salmiakknotsen, die zo lekker aan je tanden bleven plakken en je opzadelden met een gigantische hoestbui als het poeder binnenin vrij kwam en met een enorme vaart achterin je keel verdween. Tuurlijk, ik had er ook voor kunnen kiezen om de lolly rustig, sabbelend, met beleid en zonder mijn kiezen in te zetten te verorberen, maar dat duurde te lang. Na twee minuten veranderde het stokje namelijk in een papje en had je het idee dat je een nat pak vouwblaadjes zat weg te werken. En dat moest je voor zijn.

Inmiddels zijn we zo’n jaar of twintig verder, worden er robots ontwikkeld, kunnen we twitteren en bekijken we films in 3D. Toch, zo ontdekte ik gisteren (inderdaad wederom in de kroeg), heeft de moderne techniek de wereld der lolly’s met een papegaailogo niet weten te bereiken. Toen ik me dapper een weg naar de salmiakkern zoog, kwam de ergernis uit mijn jeugd in volle glorie terug aan de oppervlakte. Het stokje was nog altijd van papier. Op mijn lippen ontstond een laagje verpulverd karton en via mijn tong werden kippenvel en afschuw doorgeseind naar mijn hersenen. Echt genieten van mijn lollymoment kon ik dus niet.

Nu vroeg ik me dus af waar deze belachelijk consumentonvriendelijke uitvinding vandaan komt. Is het een goedkope optie die mensen met liefde accepteren als de salmiak maar op smaak is? Is plastic gevaarlijk voor kinderen? Zijn er mensen die het lekker vinden om op een pak vouwblaadjes te kauwen? En als we dan toch bezig zijn: hoe zit het met die houten stokjes in ijsjes?

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.